THEATERTEKSTEN

Auteursbond-theaterteksten
is een project van de
Auteursbond, de
beroepsorganisatie
van (toneel)schrijvers en
vertalers in Nederland.

privacy verklaring

1619 Maak het kort... (De Vaderlandse Oorlog deel 3)
door Erik Snel - 2018
  AUTEUR
TEKSTEN VAN DEZE AUTEUR

Trefwoorden: Prins Maurits, 80-jarige oorlog. 12 jarig bestand, onthoofding Oldenbarnevelt, godsdienstrellen, remonstranten en contraremonstranten, politieke moord.
Thema: Vadermoord, koppigheid, trots,
Genre:

Synopsis:
laatste maanden van het leven van Oldenbarnevelt. Na een smerige samenzwering wordt Oldenbarnevelt gearresteerd op verdenking van land- en hoogverraad. Als hij zich schuldig verklaart zal de straf licht zijn, is Maurits de machthebber en kan Oldenbarnevelt met pensioen. Hij is tenslotte al over de 70 jaar oud. Maar oldenbarnevelt peinst er niet over. Hij zal nooit toegeven. Tot ergernis en wanhoop van Maurits die zonder gezichtsverlies de oude man niet kan vrijlaten. Het onvoorstelbare gebeurt: Een van de grootste staatsmannen uit onze geschiedenis, Johan van Oldenbarnevelt, wordt onthoofd. Prins Maurits, de ooit zo gevierde legeraanvoerder, verspeelt voorgoed zijn faam en krijgt een negatieve plek in de geschiedsschrijving.

Fragment:
Akte V
scène 4
 
'Maak het kort'.
 
(Executie van Johan van Oldenbarnevelt. Oldenbarnevelt, Jan, Both. Jan vertelt, Both schrijft. In Jans verhaal verschijnt Oldenbarnevelt.)
 
Jan-                             Mijn meester heeft de avond doorgebracht
met predikant Walaeus. De arme man 
had overreding nodig om mijn heer 
tot een geloofsbelijdenis te brengen
want tegenover God zelfs wilde hij 
geen schuld bekennen. (stil)Uiteindelijk heeft hij 
zich in het ritueel geschikt en vroeg 
de heer Walaeus te vertrekken. Ach.
De predikant had tranen in zijn ogen 
en bedankte meester Oldenbarnevelt 
voor het bijzond’re samenzijn. (stil)Nu heeft 
hij zich net uitgekleed. Hij ligt in bed.
Hij slaapt niet, vraagt steeds om een psalmenboek.
Leest hardop met gevouwen handen in 
zijn schoot. Geeft dan het boek aan mij terug 
en gaat weer liggen om de slaap te vatten.
Dat lukt niet en het tafereel begint 
opnieuw. (stil) Het wordt al bijna licht. Ik verbeeld
me het geluid van timmerlui te horen 
en ben blij dat meester Oldenbarnevelt 
niet reageert of opschrikt. Nu is het
even rustig. -  Ik hoor een vogel. Die
is zijn territorium aan het bevechten.
Hij lijkt te winnen want de rust keert t’rug.
(stil) Naast mij zijn er nog twee soldaten, hier.
Ze zijn steeds om en om gaan slapen. 
 
Oldenbarnevelt-         Jan, jongen. Mijn zegelring is voor Reinier. 
                        Dit zilv’ren doosje geef je aan mijn vrouw.
                        Neem zelf de munten die erin liggen 
                        voor je bijzondere verdiensten.
                        
Jan-                                                                            Ach,
                        Meester, nog één vraag. Zou u mij in uw 
                        testament willen gedenken met een 
                        aanbeveling? Zodat ik hopen mag 
                        op een betrekking. Ik sta na deze dag 
                        met vrouw en kinderen op straat. Ik wil 
                        u niet op dit moment vermoeien met…
 
Oldenbarnevelt-         Dat heb ik toch allang geregeld, jongen. 
 
Jan-                             Ik zal voor altijd aan u denken als 
                                   ik bid.
 
Oldenbarnevelt-                     Nee Jan, zo doen de Papen. Als 
                                   men dood is, is men dood. Bidt voor mij, nu 
                                   ik nog leef. 
 
(Hij probeert vergeefs zijn muts over zijn ogen te trekken.)
 
                                                           Die muts bedekt mijn ogen niet. 
                                   Hij is te klein. Neem jij mijn slaapmuts mee 
                                   naar het schavot? Zo, is het dan zover?
 
Jan-                             Hebt u goed geslapen, heer?
                        
Oldenbarnevelt-                                                        Nee, dat heb
                                   Ik niet. Maar wat maakt dat nog uit. We gaan.
 
Jan-                             We vertrekken. Mijn heer loopt energiek, 
                        gesteund door mij en door zijn stok 
                        de eenentwintig treden naar beneden 
                        op de wenteltrap tot aan de buitendeur. 
                        Alsof hij tonen wil geenszins geknakt 
                        te zijn door de nabije dood. De deur 
                        gaat open en het ochtendlicht belooft 
                        een milde voorjaarsdag. Nu pas horen wij 
                        de toegestroomde mensen: Daar is hij! 
                        Daar is hij! Oldenbarnevelt! Verrader! 
                        Mijn heer houdt even stil, kijkt naar de grond, 
                        verheft zijn hoofd, betreedt de lange haag 
                        die door soldaten wordt gevormd tot aan ‘t 
                        schavot.
 
Oldenbarnevelt-                                Help me hierop. 
 
Jan-                                                                            Ik doe wat hij 
                                   me vraagt. We staan nu samen op ‘t schavot 
                        voor duizend mensen die ons aankijken. 
                        Dan wordt het stil. Wat verwachten ze van ons? 
                        Op de eerste rij zitten de strenge 
                        predikanten. Hun blik verbeten. Alsof
                        ze zeker willen weten dat hun vijand 
                        uitgeschakeld wordt. 
 
Oldenbarnevelt-                                            Zie jij de prins, Jan?  
 
Jan-                             Nee, meester. (tegen Both) Ik durf niet naar ‘t publiek 
                                   te kijken.
 
Oldenbarnevelt-                                Trek mijn mantel nu maar uit. 
                                   Is er niet een kussen waar ik op kan 
                                   knielen?
            
Jan-                             Een soldaat zoekt om zich heen, 
                        maar mijn meester knielt al op de kale 
                        planken neer. Hij ontbloot zijn oude lichaam 
                        en spreekt dan tot het volk: “Mannen,
 
Oldenbarnevelt-         Geloof niet dat ik een landverrader ben!
                                   Ik heb eerlijk en vroom gehandeld als een goed patriot
                                   En zo zal ik sterven.”
 
Jan-                                                    Niemand durft te reageren.
Oldenbarnevelt-         “Vader in de hemel, Here God, ontferm 
                                   u over mij.”
 
Jan-                                                    Ik neem afscheid, kan niets 
                        meer bedenken en wil van ‘t schavot aflopen. 
                        Maar de beul is niet tevreden. Hij kijkt 
                        recht tegen de zon in. Dus mijn meester 
                        moet een kwartslag draaien. Ik loop weer t’rug 
                        en help hem. Mijn meesters handen trillen 
                        als hij de slaapmuts voor zijn ogen trekt. 
                        Ik stamel, wil hem nog wat zeggen, maar
                        mijn meester zegt: 
 
Oldenbarnevelt-                     “Maak het kort, maak het kort.”
 
Jan-                             De beul gebaart dat ik moet gaan en als 
ik het schavot afloop hoor ik het zwaard 
zijn werk doen. (snikt hevig.)
 
Both-   (schenkt iets voor hem in)                 Neem een slok, Jan.               
 



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
login