THEATERTEKSTEN

Auteursbond-theaterteksten
is een project van de
Auteursbond, de
beroepsorganisatie
van (toneel)schrijvers en
vertalers in Nederland.
Stilleven
door Annie van Gansewinkel - 2002
PDF   AUTEUR
TEKSTEN VAN DEZE AUTEUR

Trefwoorden: verloren liefdes, illusies, nieuw begin, zelfbedrog, monoloog, melancholie, eenzaamheid
Thema: Een vrouw van middelbare leeftijd, schildersmodel, denkt na over haar leven en liefdes
Genre: Drama/toneelspel, Eenakter

Beschrijving:
Laura Vroemen, 64 jaar, zit als schildersmodel te wachten tot de cursisten binnenkomen. In die tijd laat ze haar leven en haar liefdes de revue passeren.
Ze heeft het gevoel dat ze nu eindelijk raakt aan haar kern. Ze kiest voortaan voor een leven zonder franje en laat zich niet meer gek maken, niet door anderen, niet door zichzelf en zeker niet door mannen.
Ineens is ze nieuwsgierig naar de portretten waar de cursisten mee bezig zijn. Zij weerspiegelen vooral de makers of kent Arthur haar beter dan zij zichzelf kent? Waarom schildert hij haar als het middelpunt van het feest, terwijl ze kiest voor een sober leven zonder illusies?

Fragment:
STILLEVEN (monoloog) - Annie van Gansewinkel


(Laura zit op een kruk, op een verhoging in het atelier)


“Ik had daar kunnen zitten. Aan hun kant. Een beetje interessant doen achter een schildersezel. Daar was ik een jaar of tien geleden nog wel toe in staat. Nu doorzie ik van mezelf die flauwekul. Jammer misschien, het knipt de franje van het leven. Maar ik kies voortaan liever voor de naakte waarheid.
Haha. De naakte waarheid. Alsof ze die dadelijk voorgeschoteld krijgen als ik mijn kamerjas uittrek. Wat is mijn waarheid? Mijn lijf zonder franje, zelfs geen zwangerschapsstriemen als decoratie op een eenvoudige aardewerk vaas.
Afgepeld tot zijn meest pure vorm.
Wat is mijn puurheid? Ik ben nog lang niet ingekeerd tot mijn blanke pit. Ik heb eerst een lange weg te gaan, terwijl het lopen met de dag moeilijker zal worden. Misschien omdat ik steeds meer weet welke drempels er allemaal kunnen opdoemen.
Eigenlijk is het niet eerlijk. Als je langzamerhand doorkrijgt, hoe het leven in elkaar zit, raken de voorraden tijd en energie uitgeput. De bovenste helft van mijn zandloper begint al akelig leeg te lopen. Dat laatste beetje gaat ook veel sneller. Ik moet zorgen dat het laatste stukje beter is en dat ik het bewuster beleef dan de 64 jaar die al achter me liggen.
Tweederde eeuw. Als ik kleinkinderen, en dus ook kinderen had, zou oma mooie verhalen kunnen vertellen van vroeger. Toen we nog zoveel moesten missen, we zelfs nog geen spullendit, spullendat hadden. En dan zou ik niet mogen zeggen dat we het toen misschien toch beter hadden. Dat we gelukkig waren met het weinige dat we bezaten.
Nee, dat mocht ik niet zeggen van mezelf, want dan zou ik mezelf buiten deze tijd plaatsen. Ik heb immers altijd zo graag een meid van deze tijd willen zijn.
Dat meisje dat daar links zit. Zo was ik ook toen ik een jaar of twintig was. Alles verwachten van het leven. Eisen zelfs. Voor minder doet ze het niet. Elke lesavond gaat ze met een bezetenheid aan de slag of ze mij met haar schilderwerk wil reanimeren. Ik blijf er kalm onder, adem rustig door onder de blikken van haar, en van de anderen trouwens ook. Maar voor haar laat ik nog eens nadrukkelijker mijn schouders zakken. Ik ontspan mijn buikspieren, zodat mijn buikplooien even een beetje deinen. Volmaakt ontspannen. Niets meer hoeven. Zou jij ook moeten doen, meisje.
Vorige week in de pauze, zo fel als jij was in die discussie over maatschappelijke betrokkenheid. We mochten niet lauw-lauw, we moesten alles, we zouden overwinnen, broeders en zusters worden. Kortom: het vooruitgeschoven paradijs.
In de pauzes meng ik me niet in hun gesprekken. Ik schuif mijn kruk altijd iets verder weg van de koffietafel. Ik hoor niet bij ze.
Ik reageerde dan ook wat verstoord toen een van de oudere deelnemers ineens het woord tot mij richtte: ‘Laura, heb jij nog idealen?’ Alsof hij me vroeg of ik de suiker even wilde doorgeven.
‘Ik?’ Ik zag dat het meisje mij verwachtingsvol aankeek en daarna zag ik zijn werkelijk geïnteresseerde blik. ‘Mijn idealen. Laten we het daar maar niet over hebben. Fons, volgens mij is het tijd,’ riep ik de docent tot de orde. Ik stond meteen op om mijn pose weer in te nemen.
Ik zag nog net dat het meisje me teleurgesteld nakeek. De blik van de man, - ik geloof dat hij Arthur heet, ja, hij heet Arthur - heb ik niet gezien. Ach, het meisje zou me toch niet geloven. Ze zal er zelf achter moeten komen.
Zoals ik. Met blije ogen stapte ik vol verwachting het leven in, de handen wijd open om mijn kansen te grijpen.
En nu, ruim veertig jaar later, lege handen.


(Laura staat op en trekt de kamerjas dichter om haar heen)

Warm is het hier niet. Dadelijk moet dit ding ook nog uit. Van hun blikken word ik niet warmer. Dat is trouwens maar goed ook. Geen broeierige sfeer, alsjeblieft. Maar dat gebeurt ook niet. Fons had wel gelijk toen hij me dat bij het kennismakingsgesprek vertelde. ‘Het zijn amateurs, maar zo professioneel zijn ze wel.’
Ik maakte ook maar gauw duidelijk dat ik van wanten wist: ‘Vergelijk het met een blootstrand,’ zei ik. ‘Dat heeft toch ook niets geils. Rimpels, plooien, al dat donshaar, overal, het wordt er in één oogopslag allemaal zo onschuldig van. De oervorm, nog nooit van de erfzonde gehoord.’
Hij glimlachte alleen maar. Hém hoefde ik niet te overtuigen.


(Ze rekt zich uit, en strekt haar armen tot de knieën, verder komt ze niet)

Dadelijk weer twee uur stilzitten op die bank. Dat vind ik nog het moeilijkste. Stilzitten, ik heb het nooit gedaan. Altijd maar bezig. En als mijn lichaam niet in beweging was, was mijn hoofd het wel. Ledigheid is des duivels oorkussen. Het is er ingeramd en ik heb het er nooit meer uit kunnen rammen.
Maar nu ben ik aan mijn pensioen begonnen. Retraite, zoals de Fransen zeggen. Mijn terugtocht, weg van het slagveld, mijn wonden likken.
Versleten nekwervels, versleten knieën en armen. Een versleten hoofd, trouwens ook. Zoveel denken, zoveel moeten, zoveel willen. Nog een wonder eigenlijk dat het niet, helemaal verpulverd, uit elkaar is gevallen. En zelfs nu ik probeer niets meer aan mijn hoofd te hebben, blijft het maar doormalen. Een grote kamikaze-actie. Het maalt zichzelf tot asfijn gruis. Een onaanzienlijk hoopje straks in een grote urn.


(Ze gaat weer op haar kruk zitten en rilt. Ze duikt wat in elkaar)

De lente laat op zich wachten. Maar ik sta niet meer te popelen. Vroeger, de eerste vogel die zijn typische lentegeluid liet horen. Ik was in staat om een duet met hem te jubelen. De bloembollen, ik stond ze zacht zoemend uit de grond te praten. ‘Kom maar, hoor, het is al zoet, zacht weer. Een beetje kou verdraag je toch wel. Je bent immers een stevige krokus.’
En dan in maart, laat op een avond, was het er ineens. De lucht vol van beloften. Van zwoele zomers, zachte liefdes en nooit meer kou.
Een jaar of tien geleden heb ik de deur gesloten achter Rogier, maar ook achter die puberale malligheid. Het verlamt het werken en het leidt tot niets.
Het enige jammere is de kou. De jarenlange kou zit gestold in mijn botten. Ik loop nergens meer warm voor.
Dat is trouwens wel zo rustig.
Ik vraag niet veel, maar waarom neemt mijn lijf me dat weinige ook nog stukje bij beetje af? Elke keer moet ik meer inleveren. Mijn heldere blik, mijn scherpe gehoor, mijn fijnzinnige tastzin, mijn gulzige smaakpapillen, mijn gevoelige neus voor de goede dingen van het leven. Het leven wordt schraal zo.


(Ze recht haar schouders)

En dat is prima, Laura Vroemen. Waar heeft al die zogenaamde rijkdom je gebracht? Je krijgt nu de rest van je leven de kans om terug te keren tot het wezen. Waar het allemaal om begonnen was. Het is nog niet te laat om dat te ontdekken. Nou niet zeuren over kou en schraal, dit is wat je wou. Je zintuigen mogen dan aan kracht inboeten, je verstand draait nog steeds op volle toeren. Misschien meer dan je lief is. Het zou goed zijn als er langzamerhand ook eens wat van die denkcellen van je zouden verschrompelen.


(Ze staat op en loopt naar het stilleven-arrangement in een hoek van het atelier. Ze raapt een veer op van de vloer. Houdt hem voor haar ogen omhoog en begint peinzend te praten)

We moeten allemaal steeds meer veren laten, tot de grens tussen dit stilleven en mijn warm kloppend lichaam helemaal is weggevallen. Ik hoef heus niet herinnerd te worden aan mijn memento mori. Ik leef er elke dag mee.


(Ze streelt de fazant, ruikt dan aan haar handen en slaat het –denkbeeldige- stof eraf)

Stoffig oud lijk. Heeft niet eens de kans gekregen om te versterven. Ze heeft misschien haar leven niet eens kunnen doorgeven.
(Ze pauzeert kort) Zij ook niet.
En dan zo’n bloemenarrangement, gemummificeerde bloemen. Hoe vaak heb ik ze niet veel te lang laten staan, een belediging voor de hele flora. Wel drie ruikers van dooie bloemen ben ik deze week in huis tegengekomen bij mijn opruiming.
Voor die ouderwetse jaarlijkse grote schoonmaak was toch wel wat te zeggen. Regelmatig schoon schip maken, in plaats van pas als je met pensioen gaat. De ellende nu is dat een hoop oude troep ineens weer emoties oproept.
Ach, gut, die oude bewaarschooltekening.
O ja, da’s waar ook, dat laatste gemakzuchtige cadeau van Rogier dat ik meteen in de verste hoek op zolder heb geknikkerd. Weggooien vond ik zonde, dus heb ik het maar uit het zicht verbannen. Nu bekijk ik het verdorie eerst nog met mildheid ook. Hij was toen toch wel erg in de war, dat hij me zo’n kitscherige wandtegel schonk. Een laatste wanhopige poging om mij met het melodramatische fabriekstekstje te vermurwen tot de zoveelste reddingsactie van onze relatie.
Misschien heb ik toen intuïtief mezelf gekalmeerd tot beheerst reageren. Anders had ik toch zeker die wandtegel naar zijn hoofd gesmeten, in de verwachting dat ik hém zou missen maar in ieder geval die keiharde muur achter hem zou raken.
Toch ben ik een flinke meid geweest deze dagen. Ik heb mijn vertedering weggeknepen en mijn ratio naar voren geduwd. Zoveel onnuttige spullendit, spullendat. Met een vederlicht gemoed heb ik vanmiddag een afgeladen auto naar de gemeentereiniging gebracht. Weg met al die troep die herinnert aan wat was, maar vooral ook aan wat had kunnen zijn.
Het is al erg genoeg dat de herinneringen in mijn hoofd niet naar de gemeentereiniging kunnen. Zelfs bij het depot voor probleemafval zijn ze niet gewenst.
Wat had kunnen zijn… als mijn huwelijk met Jean wel sprankelend was gebleven.


 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
login