THEATERTEKSTEN

Auteursbond-theaterteksten
is een project van de
Auteursbond, de
beroepsorganisatie
van (toneel)schrijvers en
vertalers in Nederland.

privacy verklaring

De Dag en de Nacht en de Dag na de Dood
door Esther Gerritsen - 2005
PDF   AUTEUR
TEKSTEN VAN DEZE AUTEUR

Trefwoorden: dood, humor, absurdisme, superheld, rouwverwerking
Thema: De dood
Genre: Drama/toneelspel, Tragikomedie

Synopsis:
We volgen drie mannen, in de dagen na de dood van hun moeder, echtgenoot, zus. Drie totaal verschillende karakters die nu samen beslissingen moeten nemen en rouwen. En dat terwijl de broer van de vrouw al weer aan het werk moet. Omdat hij een bovennatuurlijke held is, en hij geen onschuldige mensen in een brandend huis kan laten zitten, omdat hij toevallig in de rouw is.

Samenvatting:
We volgen drie mannen. Op de dag en de nacht en de dag na de dood van hun moeder, echtgenoot, zus. Na een lang ziekbed waar alle aandacht op de zieke was gericht, staan de mannen ineens tegenover elkaar. Het enige dat ze lijken te delen is hun liefde voor degene die er niet meer is. Toch zullen ze met elkaar de dagen en nachten door moeten komen. Beslissingen moeten nemen. Samen moeten rouwen en herdenken. En dat terwijl de broer van de vrouw al meteen weer aan het werk moet. Omdat hij een bovennatuurlijke held is. Als uit het rijtje Superman, Spiderman, de Hulk. Het leven gaat door. Er zijn altijd mensen die gered moeten worden. In deze arbeidssector heb je geen vrije dagen. Als superheld kun je de mensen in een brandend huis niet laten zitten omdat jij toevallig in de rouw bent.
Maar hoe kun je nog plezier hebben in het redden van al die mensen, wetend dat je je eigen zus niet hebt kunnen redden? En hoe herdenk je iemand als je het niet met elkaar eens kan worden wie diegene was?

Fragment:
1 (De dood.)
BROER Ik red de wereld. Dat is mijn vak. Ik red de wereld. Dat doe ik niet met één grote heldendaad die ons voor de definitieve ondergang behoedt. Er is geen Apocalyps aanstaande die ik met bovenmenselijke kracht zal voorkomen. Ik ben ook Gods zoon niet die met één grote offerdaad onze zielen zal redden. Toch behoed ik, en alleen ik, de wereld voor zijn ondergang. Dat doe ik met relatief kleine reddingswerkzaamheden. Ik persoonlijk zorg voor al die keren dat het net goed gaat. Ik zorg voor die keren dat de doktoren tegen iemand zeggen: “U heeft geluk gehad, u had wel dood kunnen zijn.” Ik ben die jongen die een kleuter opvangt die van vier hoog naar beneden valt. Ik ben het bewijs dat zelfs zoiets goed kan aflopen. Ik zorg ervoor dat je de trein mist die even later een ongeluk krijgt. Zonder mij liep elke risicovolle situatie gegarandeerd verkeerd af. Het fatalisme dat de mensheid dan zou bevangen zou de wereld uiteindelijk ten onder doen gaan. Mijn reddingswerkzaamheden zorgen voor het evenwicht in de wereld tussen gezond realisme en broodnodig optimisme. Ik zorg ervoor dat je ineens wel een parkeerplaats vindt op een zomerdag in Scheveningen. Zoiets klinkt arbitrair. Maar het houdt de hoop levend. Hoop op het onmogelijke. Zonder onverwachtse parkeerplaatsen hebben de pessimisten altijd gelijk. Zonder ‘hebben wij even mooi geluk gehad’ was het slechte veel te goed geregeld. Was het slechte waterdicht geweest. Zonder het geluk - waar ik voor zorg – had elk ongeluk, elke ziekte een dodelijke afloop. Werd een brand nooit bij toeval op tijd ontdekt. Ik zorg voor die dingen. Ik houd de hoop levend. Dat doe ik onbaatzuchtig. Ik mag deze gave niet voor mijzelf of mijn familie gebruiken. Eén keer… één keer!…. voor eigen belang het geluk een handje helpen, en ik ben voor altijd van mijn gave verlost. Dan kan ik niemand meer redden, niets meer voorkomen. Dan krijgen de zwartkijkers gelijk en in afzienbare tijd gaat de wereld ten onder aan droefenis. De wereld die ik nu red. Keer op keer.
Ik mag mijzelf een gelukkig mens prijzen. Ik heb een mooie taak. Ik mag daar trots op zijn. Dat mag ik. Mag ik best. Maar daar gaat het nu niet om. Dat snap ik. Soms zijn er belangrijkere dingen aan de hand, dan de wereld redden. Lijkt het. Is zo. Zou... zo moeten zijn...
Ik was liever meubelmaker geworden. Kasten… maken. Dressoirs, tv-meubels, bureau’s, keukentafels, bijzettafels, tuinbankjes. Als ik meubelmaker was geworden… dan was het niet zo erg dat er soms belangrijkere dingen aan de hand waren, dan meubels maken, dan een kast op tijd afleveren. Had ik niet erg gevonden. Als die kast niet op tijd …
ZOON Het is nog steeds nacht. Ik zit in de woonkamer samen met mijn oom Rudolf, de broer van mijn moeder. Hij praat. Aan een stuk door. Iets over dat hij meubelmaker had willen worden. We zitten in de woonkamer. Als poortwachters. Poortwachters ter bescherming van het tafereel boven. Waar mijn vader aan het bed van mijn moeder waakt. Er is al een dokter geweest. Die hebben wij binnengelaten en de weg naar boven gewezen. Toen hij ons huis weer verliet zei hij dat hij deze nacht nog wel een telefoontje verwachtte. Waarmee hij bedoelde dat hij verwacht dat ze vannacht nog zal sterven. Ik probeer daar niet op te wachten. Ik doe mijn best om naar het verhaal van mijn oom te luisteren. Ik wil dat mijn moeder onverwachts sterft. Ik weiger me voor te bereiden. Ik wil niet dat het mogelijk is om je op zoiets voor te bereiden. Ik luister naar het verhaal van mijn oom die liever meubelmaker was geworden en ik wacht nergens op. Als de garde van het Engelse koningshuis houd ik de wacht, emotieloos. Ik ben op mijn hoede - dat is mijn taak - maar ik verwacht niets.
BROER (Zijn beeper flitst. Hij laat hem zien) Kijk. Mooi hè? Het is zoiets als een ouderwetse beeper, die artsen vroeger hadden. Zo moet je het je ongeveer voorstellen.
ZOON Is het belangrijk?
BROER Eigenlijk een onmogelijke vraag hè? Is het belangrijk? In dit vak.
ZOON Ja?
BROER Ik word weggeroepen. Zo heet dat. Ik zou daar aan gewend moeten zijn. Dat ik soms word weggeroepen. Dat is het grappige van een roeping hebben in het leven. Dat je steeds wordt weggeroepen.
ZOON Ja, dat is het grappige ervan.
BROER Grappig, als in …. typisch dus.
ZOON Rudolf, mijn oom, staat in de kamer in zijn werkkleding. Zijn glimmende cape. Laarzen tot op zijn knieën. Zijn masker op. En de grote R van Rudolf op zijn borst. Rudolf Redt. En terwijl hij daar staat in dat veel te glimmende pak voor mijn moeders lievelingsstoel – een erfstuk met bloemen, waar we allemaal een hekel aan hebben – terwijl hij daar pontificaal in onze kamer staat met zijn zwarte lakleren laarzen op ons parket, vind ik het ineens iets heel absurds hebben, die superheld, in onze kamer. Mijn hele leven niet beter geweten maar ineens komt het me belachelijk voor. En ik denk: Hij zou het op z’n minst stiekem kunnen doen. Hij zou op z’n minst kunnen begrijpen dat zoiets niet normaal is, of niet normaal hoort te zijn, om in zo’n outfit in de huiskamer te verschijnen. Hij zou op z’n minst een eigen uitvalsbasis kunnen kiezen. Een geheime loods op een industrieterrein. Een verlaten telefooncel. Maar niet onze huiskamer. Niet naast de bloemetjesstoel van mijn moeder.
BROER Mijn familie begrijpt dat. Dat ik soms onverwachts weg moet.
ZOON Rudolf redt de wereld. Of wij dat nou leuk vinden of niet.
BROER Dat ik via haar raam moet - boven - dat is iets praktisch. Ja, zo hebben we allemaal onze handicap. Ik heb een hoog punt nodig. Ik kan niet opstijgen vanaf de grond. Via haar slaapkamer is nu eenmaal de beste mogelijkheid. Heeft het grootste raam en een brede vensterbank. Ideaal om je af te zetten. Dat ziet dan niemand hè? Dat je ook zo je beperkingen hebt. Dat je voor elke vlucht eerst een paar trappen op moet lopen. Van die dingen die alleen je familie van je weet.
ZOON Je kunt vandaag niet langs ma.
BROER Nee. Natuurlijk niet.
ZOON Je kunt misschien via het zolderraam.
BROER Het zolderraam. Natuurlijk. Het zolderraam.
BROER Het kantelkiepraam in de zolderkoekoek. Ik kan me er maar net doorheen wurmen. Ik scheur bijna mijn cape. Ik kan me nauwelijks afzetten. Ik val meer dan dat ik vlieg. Waardoor de vlucht ineens iets stiekems krijgt. Alsof ik er tussenuit knijp.
ZOON Ik ben de poortwachter. Ik laat dokters binnen en wijs ze de weg. Ik dirigeer de superheld uit onze familie naar het zolderraam. Ik bewaak de trap naar mijn moeder toe. En ik wacht nergens op. Toch is mijn taak van levensbelang. Ik zorg dat alles zijn gang kan gaan. Dat niemand de verkeerde kant oploopt. Dat er niemand binnenkomt die hier niet hoort. Dat niemand het pand verlaat zonder langs mij te moeten.
BROER Rakelings scheer ik langs de grond. Ik maak net op tijd vaart. Langs haar slaapkamerraam schiet ik de hoogte in. Ik vlieg. De wind tilt me op. Ik ben groter dan de wereld. Het meisje waar ik ooit mijn speelgoed mee deelde gaat dood en ik vlieg. Mijn cape wappert. Triomfantelijk. Ik zou willen dat die cape minder triomfantelijk wapperde, maar het is onmogelijk om te vliegen zonder mijn cape triomfantelijk te laten wapperen.
ZOON Lawaai boven. Mijn vader. Rent de trap af.
MAN Je moet komen.
ZOON Zegt hij.
MAN Nú.
ZOON Wat is er?
MAN Komen! Nú.
BROER In het raam van een brandend appartement op zevenhoog staat een wanhopige moeder met een zuigeling in haar armen. De mensen op straat kijken hulpeloos omhoog. Hun gezichten lichten op als ze mij in de lucht zien. Alles komt goed. Rudolf Redt. Ik ben een superheld. Dat zijn slechts de feiten. “Brandend. Zevenhoog. Wanhopig. Zuigeling. Superheld.” Dat is niet eens het mooie verhaal. Het mooie verhaal is hoe de ogen van de mensen glanzen van dankbaarheid en ontroering, de nonchalance waarmee ik mijn kracht tentoonspreid en het vertrouwen dat in de lucht hangt, het vertrouwen dat alles goed zal komen.
ZOON ‘Wat is er?’ was misschien ook een rare vraag. In zo’n nacht. Wat is er?
MAN Het is net gebeurd.
ZOON Als ik de kamer binnenkom zie ik meteen dat ze weg is. Dat is niet zo heel moeilijk om te zien. Ik vraag me meteen af waar ze naar toe is. Ik bedoel, niet als naar een hemel of zo, maar of ze soms even naar beneden is, of op de gang, of naar buiten. Heel stom, maar ik kan het niet laten om naar het open raam te kijken. Alsof ze daar doorheen is geglipt. Zo langs ons heen. Zonder dat we het doorhadden.
MAN Het is net gebeurd.
ZOON Ja, dat zei je.
MAN Ik heb je meteen gehaald.
ZOON Ik weet hoe laat het is. Letterlijk. Ik kijk op de klok waar ik niet op had willen kijken. Ik wil haar sterven niet op een tijdstip vastgelegd zien. Maar toch weet ik het al en ik denk: tijdstip van overlijden - en probeer dat tijdstip te vergeten. Mijn vader -
MAN Haar mond moet dicht.
ZOON Mijn vader -
MAN Dat moet meteen.
ZOON Hij sluit haar mond. Waardoor het lijkt alsof er niets uit is ontsnapt. Haar hoofd - dat net nog naar het open raam was gekeerd - legt hij recht. Alsof er niets is gebeurd. De zon valt in de kamer. Maar dat ziet ze niet. Ze ziet niet hoe het licht wordt. Ze voelt niet hoe de zon de kamer verwarmt. Ze merkt de wolken niet op, die voor die zon trekken. Ze voelt niet hoe die wolken de warmte weer verdrijven. Ze hoort de regen niet. Ze ziet de regen niet. Geen regen. Geen wind. Geen lucht. Geen licht. Geen pijn. Geen zon. Geen donker. Ik niet. Ze ziet mij niet. Hem niet. Mijn vader niet. Die naar het prikbord loopt, het nummer van de dokter eraf haalt en klaarlegt naast de telefoon. Alsof hij haar nog af moet melden. Alsof ze officieel uitgeschreven moet. Ik denk aan Rudolf. En hoe we straks nog samen poortwachters waren en hoe hij mij alleen met deze taak liet.
BROER Als ik de moeder en het kind veilig op de grond neerzet worden ze door hun familie huilend in de armen gesloten. De mensen erom heen kijken mij met vochtige ogen aan. Ze drukken me de hand. Ze zijn blij dat ik besta. Ach. Het is een baan. Ik glimlach. Niet te uitbundig. Een serieuze glimlach. Ze vermoeden dat ook ik onder de inruk ben. Ze weten niet dat het mijn beroepslach is. Op deze belangrijke dag in hun bestaan.
ZOON Heb je Rudolf al gebeld?
MAN Nee.
ZOON Moet je Rudolf niet bellen?
MAN Ja.
ZOON Je moet Rudolf bellen.
BROER Ik vlieg. Mijn cape wappert. Mijn armen gestrekt. De telefoon gaat. Privé-nummer belt. Zegt de display. Privé-nummer belt. Daar houdt mijn zus niet van. Als je haar nummer ziet wanneer ze belt. Heeft ze me gevraagd. Hoe je dat uit kon zetten. Nummer meezenden uit. Heb ik voor haar uitgezet. Ik heb een goed toestel. Zodat ik altijd bereikbaar ben. Voor dit soort momenten. Ook hoog. Is vaak lastig. Met veel abonnementen. Als je hoog zit.
ZOON En?
MAN Hij komt.
ZOON Schrok ie?
MAN Ik kon ‘m slecht verstaan.
ZOON Zat ie hoog?
MAN Hij was onderweg.
BROER Het gaat niet om het moment. Toch? Was je erbij? Toen ze stierf. Was je erbij? Bijna. Ik was er bijna bij.
De laatste zucht. De laatste blikken. De laatste woorden. Doet het ertoe? Een heel leven. Godverdomme een heel leven. Reduceren tot dat moment. Als teken van. Als symbool. Of het ‘goed’ zat.
Ik heb haar ooit op de gang gezet. Toen ze haar andijvie niet opat. Als oudere broer. Gewoon op de gang gezet. Gewoon gezegd: ‘Je eet het daar maar op! We willen je niet terug zien voor je bord leeg is!’ Dat zegt toch ook iets? Niet? Dat je dat hebt gedeeld? Dat is toch iets? Is toch ook iets? Toch?
ZOON Ik zit naast mijn vader. En ik weet best wat ik tegen mijn vader moet zeggen. Maar wat zeg je tegen een man wiens vrouw net is gestorven? Soms wil ik tegen hem zeggen dat die vrouw mijn moeder is. Ik ben bang dat hij dat is vergeten. Soms vergeet ik het ook. Als hij naar haar kijkt zie ik hen. De man en zijn dode vrouw. En ik die de wacht houd. Als buitenstaander. Als ingehuurde kracht. Onmisbaar maar niet betrokken. Het zou ongepast zijn om me hierin te mengen. Aanmatigend. Om dan ineens de droevige zoon uit te gaan hangen.
BROER Ik vlieg de straat in. Voor het eerst sinds ze dood is. Ik zie haar huis in de verte. Ik vraag me af of het niet gepaster is om te gaan lopen. Maar ik ben in werkkleding en als de mensen me zo zien denken ze dat er iets aan de hand is. Iets ergs. Iets anders ergs. Iets dat ik voorkomen kan. Werkgerelateerd. Ik val. Ik vergeet dat ik vlieg en ik val. Ik tuimel. Ik kom neer op de hoek van haar straat. En vanaf daar kan ik niet meer opstijgen. Ik heb een hoog punt nodig.


 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
login