THEATERTEKSTEN

Auteursbond-theaterteksten
is een project van de
Auteursbond, de
beroepsorganisatie
van (toneel)schrijvers en
vertalers in Nederland.

privacy verklaring

Het harde rood van mijn gelijk
door Rob de Graaf - 2005
PDF   AUTEUR
TEKSTEN VAN DEZE AUTEUR

Trefwoorden:
Thema: Een jongeman zoekt zijn weg in de wereld
Genre: Drama/toneelspel

Synopsis:
Een man is verward en toch helder. Hij is woedend op de wereld en wil zich handhaven.

Samenvatting:
Niet beschikbaar

Fragment:
geschreven voor Toon Kuijpers
Mime-opleiding Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten
Eerste voorstelling 29 juni 2005
Wat?
Wat is er?
Wat kijk je nu naar mij?
Moet ik iets doen? Moet ik iets zeggen?
Ben ik verantwoordelijk voor wat er met jullie gebeurt?
Ik weet het wel
Jullie denken: die is mager
Die is bleek
Die zal wel zielig zijn
Die kan het niet, met niemand
Dat is wat je denkt als je mij ziet
Ik ben te armelijk, te halfvolwassen, te verwaarloosbaar
Je denkt dat je dat allemaal begrijpt als je alleen maar naar mij kijkt, naar mij met mijn ziekenfondsogen en mijn hongermond
Ik ben het, ja - ik - met die gebogen rug en die vertrokken schouders - de lichaamstrekken die je krijgt als je altijd moet wachten
Altijd te lang in de rij staan bij alle loketten van de maatschappij
Altijd al bij voorbaat weten dat het ook vandaag wel weer niet lukken zal
Altijd weer afhankelijk zijn van mensen die met zachte stemmen en een harde blik hun eigen gelijk bevestigen: zij bepalen hoe het gaat, jij niet
Tot nu toe heb ik me aan de regels gehouden
Heb ik eerst gedacht en daarna pas gepraat
Of niet gepraat
Heb ik gedacht dat je een sluitend verhaal moet hebben
Eerst a en dan b en zo dan verder - en uiteindelijk zou het dan kloppen en dan zou ik begrepen worden
Nu geloof ik dat niet meer
Nu heb ik de ordening opgegeven
Nu spuug ik mijn woorden ordeloos uit
Nu weet ik dat ik, als alles gezegd is, alleen achterblijf - stil en verlaten als Sint Helena in de verte van de oceaan
Maar zover ben ik nog niet
Ik weet alles, eerlijk waar
Ik zie ogen en ik weet wat er achter die ogen wordt gedacht
Ik weet dat ik niets anders ben dan de bevestiging van jullie allernegatiefste wereldbeeld
De inheemse vreemdeling, dat ben ik
Ik ben het verloren gewenste familielid dat toch nog niet dood blijkt te zijn en dat zich onaangekondigd aandient, zo maar op een mooie ochtend in het voorjaar
Ik ben levend ongemak
Ik ben de stille jongen die droomt van gerechtvaardigd geweld - pas later, als hij zijn daad volbracht heeft, beseffen ze dat ze eigenlijk nooit iets van hem hebben geweten
Ik ben de naar vuil ruikende dakloze, van wie je hoopt dat hij jou niet aanspreekt als je daar over de straat loopt met je leren schoenen en je tevredenheid
Denk niet dat ik dat niet merk
Mijn verstand zit hier, en hier, en overal
Ik ben volkomen gevoelig
Overal heb ik zintuigen - in mijn ingewanden, in de witte wolk van mijn adem, in het vocht dat mijn lichaam afscheidt - zelfs mijn zweet weet wat jullie over mij denken en wat je me zou willen aandoen als ik te dicht in je buurt kom
Wanneer je van een vis, zo'n witte oceaanvis, de huid afstroopt, dan liggen de zenuwen bloot
In verre landen van het oosten, waar ze een taal spreken die wij nooit zullen verstaan, daar druppelen ze kokend water op dat trillende, huidloze vissenlichaam, water dat vermengd is met azijn - en terwijl het levende vlees nog siddert eten ze het rauw op
Dat is precies wat jullie mij aandoen
Of nee - wat je me aan zou doen, als ik niet sterk was en als ik me niet zou verweren
Wat ik niet goed uitgelegd krijg
Naar jullie toe
Ik ben...-
Ik ben...-
Godverdomme, laat me nu even goed nadenken voordat ik kan zeggen wat ik ben
Zit niet zo te kijken
Ik doe mijn ogen dicht, maar dan nog voel ik dat je kijkt
Ik doe mijn ogen dicht - als andere mensen dat doen schijnt alles zwart te worden - maar wat ik zie is rood, het eenvoudige rood van mijn waarheid, het harde rood van mijn gelijk - het gelijk dat ik nog niet onder woorden kan brengen maar dat ik wel heb, ik weet het zeker
Ik doe mijn ogen dicht en ik prijs me gelukkig: zo kan ik zien wat ik zien wil
Er is een landstreek, ergens in Azië of zo, waar bij een hele generatie de oogleden zijn weggeschroeid, omdat er daar een oorlog is geweest, een oorlog die, zeggen ze, gerechtvaardigd was, een oorlog met gas, met onzichtbaar vuur
Daar, in dat bosrijke land, doen ze 's nachts een donkere lap om hun hoofd
En dan proberen ze te slapen ze met open ogen
Zwerende, tranende ogen
Ik
Ik ben heel scherp, maar het is ongericht
Energie ben ik, een bliksem die nog zoekt naar een torenspits, of naar een eenzame wandelaar in het veld
Als ik zo'n doel eenmaal heb gevonden, dan duikt die kracht van mij er bovenop
De genezende destructie
Wat kwetsbaar is verdwijnt, verdwijnt zo volkomen dat het is alsof het nooit bestaan heeft
Maar zover ben ik nog niet, dat weet ik wel
Ik zit nog niet op die energietop
Ik groei, ik zwel op als een onderhuidse infectie
En wat ik nodig heb, dat is een voorbeeld
Eerst moet ik volgen, dan pas zal ik leiden
Ik ben niet bang om te wachten
Ik kan het inhouden
Wat zal dat dan zijn, mijn voorbeeld?
Waar zal ik het vinden?
Misschien moet ik naar het noorden gaan
Waar de hijgende en opgehitste witte honden hun tanden scherpen aan het onbeschermde vlees van de pooldieren
Bevroren bloed ligt als een bruinrood craquelé op de daarnet nog zo schone sneeuw
Het doodsgeschreeuw en het hongerige blaffen dragen ver door de windstille lucht
Is dat wat ik zou moeten doen? Zoeken naar wie zwakker is dan ik, in de kou van de wereld? Zoeken en kapot maken?
Of ga ik liever naar het zwarte zuiden, waar in schaduw en warmte de sterkste en giftigste dieren gedijen
Eén beet van de aap, en de uitholling begint
Donkere vlekken op je huid en een lichaam dat baadt in ziek zweet
In dat land is één steek van de schorpioen al genoeg: een alles verterende vloeistof neemt bezit van je aderen
Aangetast bloed, dat schuimt als gistende urine
Of - als het geen dieren zijn, dan zijn het wel mensen die je daar tegen komt
Kijk - daar loopt er een - voor hem ben jij een vijand en in het donker zie je het wit van zijn ogen, het wit van de tanden in zijn mond die lacht, zie je het blikkeren van dat kapmes, het mes dat altijd uitziet naar een oor, een hals, een buik, een onderarm
Maar je bent hem voor - want jij hebt ook een mes, of een stuk ijzer, en de kracht van je handen
Aanvallen moet je, voordat ze jou iets kunnen doen
Ze hebben de verkeerde taal, de verkeerde lichaamskenmerken, de verkeerde gewoonten... en dat moet genoeg reden zijn om ze te kapot te maken
Moet ik mijn voorbeeld zo ver weg zoeken?
Ik weet het niet
Misschien moet ik dichterbij blijven
Moet ik afwachten
Moet ik nog op kracht komen
Moet ik me op mijn eigen waarheid concentreren
De eenvoudige waarheid van het lichaam dat ik ben
Ik sta voor een venster, ik adem uit, heel dicht tegen het glas aan - en dan snuif ik die net uitgeademde lucht meteen weer op - zo ruik ik het bederf dat in mijn lichaam woekert
Zo hergebruik ik mijn eigen vervuiling
Wat ben ik anders dan een ding van vlees waarin oud voedsel wordt bewaard, stoffen in staat van verbranding en ontbinding - Een levend ding dat er net zo goed niet zou kunnen zijn
Soms, op stille zondagen, bedenk ik dat ik niet zou willen leven
En ik denk en ik denk door, ik denk over hoe ik het zou moeten doen
Hoe pak ik dat aan?
Hoe kom ik zover dat ik er niet meer ben?
De enige manier die me niet tegen staat is: op te houden met eten, met drinken
Op te houden met iets te doen - en zeker weten dat dan de helderheid en de rust vanzelf zullen komen
Met mijn kleren aan op een bed gaan liggen, in een koele kamer waar grijs winterlicht door het enkele raam naar binnen valt
En dan niets meer
Het is geen wachten, want wie wacht rekent nog op iets, die heeft nog plannen
Dit moet iets anders zijn, zoiets als zonder betrokkenheid gadeslaan
Aanvaarden dat er niets meer komt
ik merk hoe ik me langzaam van de wereld verwijder
Ik hoor ze lopen, in de andere kamers van het huis, zachtjes, omdat ze respect voor me hebben
Ik neem waar hoe in mijn lichaam alles steeds langzamer gaat
Hoe mijn armen en benen zich van me vervreemden - zware, verre ledematen die ik niet meer opgetild krijg
Dan vervaagt mijn besef van de werkelijkheid nog verder - het verschil tussen nu en toen en straks lijkt steeds minder belangrijk
De grens tussen waar ik ophoud en waar de rest van de wereld begint valt niet scherp meer te trekken
Nog steeds neem ik geen voedsel en geen water, alsmaar brozer word ik, tot alles ijl is en doorschijnend
Er niet zijn - het is nu heel dichtbij
Ik zie en hoor - ver weg misschien, maar ik kan geen afstanden meer schatten - ik zie en hoor iemand die zich over me heen buigt en tegen me spreekt
Iemand die ik vroeger gekend heb
Iemand uit die wereld waar ik al niet meer toe behoor
Vlekken van licht, een wolk van geluid
Daarna blijft het stil, hoor ik alleen nog maar een aanhoudend suizen, iets dat in mijn lichaam lijkt te zitten, dat de plek inneemt waar zich vroeger mijn denken bevond
Dit is bevrijding
Langzaam en onomkeerbaar
Ik maak mezelf niet kapot
Ik hef mezelf op
De dood komt als een allerlichtste aanraking
Het blad dat zich van de tak heeft losgemaakt zeilt, door lucht gedragen, langzaam naar de bodem


 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
login